FOI
Functionele Orthonomie en Integratie
Opleidingsinstituut voor FOI GbR Friedhelm Becker en Hans de Jong

Casuistiek

  • De "tennisarm" blijkt in de fysiotherapeutische praktijk één van de pijnsyndromen te zijn, die moeilijk te behandelen is. De behandeling blijkt echter geen groot probleem te zijn, als we de problematiek als een funktiestoring van het gehele lichaam gaan zien. De lokale therapie is over het algemeen niet zeer succesvol. Wij hebben een statistiek met 200 patienten met epikondylitisklachten, en daaruit blijkt dat we een succespercentage van 98% hebben, indien we de oorzaak van de klachten niet in de ellenboogregio gaan zoeken.

    In het onderzoek vinden we bij al onze patienten een flexiepatroon in de betroffen arm. De M. Pronator teres laat in alle gevallen een duidelijke hypertonie zien. Daardoor wordt het radiuskopje t.o.v. de humerus naar ventraal getrokken bij een extensie van de ellenboog. Dit is in ons funktiemodel een onfysiologische belasting op het humero-radiale gewricht, waardoor deze gaat irriteren, met alle strukturen die in de kapsel uitstralen. Dit flexiepatroon vinden we ook in 60% van de gevallen in de pols en in 100% van de gevallen in de schouder. Oorzaak hiervan is een hoogthoracale funktiestoornis (blokkeringen). Vaak zijn hier Th2 en Th6 betroffen.
    In onze ketens zien we dan SIG problemen (50%) met de gevolgen in het been aan de betroffen zijde. Zo hebben we kunnen vaststellen, dat ongeveer 10% van de epikondylitis-patienten als oorzaak van de klachten een arthroscopie van de knie hadden.

    Deze systeemproblemen zullen we moeten behandelen om een snel en effectief resultaat te kunnen bereiken. Natuurlijk spelen ook zaken als werkplekergonomie, ontlastende maatregelen en huisoefeningen in het therapeutisch concept een belangrijke rol.